Daimon

Daimon (Oudgrieks: δαίμων, daímon; Latijn: dæmon; Nederlands: daimoon) is in de Griekse mythologie oorspronkelijk de aanduiding voor een meestal goedwillend wezen dat ergens tussen goden en stervelingen in staat,[1] een bovennatuurlijk wezen zoals een lagere godheid. Een voorbeeld hiervan is te vinden in Plato's Symposium.[2]
In de joods-christelijke traditie spreekt men over een demon in de betekenis van een kwaadwillende geest.
Griekse daimonen
[bewerken | brontekst bewerken]Alhoewel bij Homerus de woorden θεοί, theoi, "goden" en δαίμονες, daimones praktisch als synoniem werden gebruikt, maakten latere schrijvers als Plato wel een onderscheid tussen de twee.[3] In Cratylus (398b) legt Plato de etymologie van δαίμονες, daimones uit als δαήμονες, daēmones, "het weten van de wijzen", hoewel de oorsprong van het woord met meer waarschijnlijkheid toe te schrijven valt aan daiō, daio, "het verdelen van lotsbestemmingen".[4]
Dat de term dus oorspronkelijk duidde op een spiritueel wezen dat iemands karakter kon beïnvloeden, is duidelijk bij Socrates. Een agathos daimōn, "goede geest" bijvoorbeeld was goedwillend en Socrates sprak over zijn daimon of 'genius' als over een geest die hem aanzette tot het zoeken en verkondigen van de waarheid.[5] Pas veel later is de term ook toepasselijk geworden om er wezens van lagere orde mee aan te duiden die niet langer het welzijn van de mens tot doel hadden, maar eerder onheil en ongeluk met zich meebrachten.[6]
Later ontstond er een afzonderlijke klasse van goddelijke wezens, die men daimonen noemde. Volgens de dichters waren dit mensen uit de Gouden Eeuw, die na hun dood daimonen waren geworden, beschermers van de mensen, die onzichtbaar op aarde rondzweefden. Zij waakten over recht en onrecht en schonken aan de mensen rijkdom. Het is evenwel de vraag, of de plaatsen bij de Griekse dichters, waar van deze daimonen gesproken wordt, niet in latere tijd zijn ingelast. De wijsgeren hebben de leer van de daimonen meer ontwikkeld. Sinds men begonnen was ook de heroën als hogere wezens te vereren, plaatste men in rang tussen de goden en de heroën de klasse van de daimonen. Terwijl de goden zich al meer en meer van de omgang met de mensenwereld terugtrokken, vulden de daimonen de kloof, die aldus tussen goden en mensen ontstond, aan. Zij waren een middenklasse van wezens, die de mensen steeds nabij waren en evenals zij onderhevig aan vreugde en verdriet. Op het lot van de mensen konden zij een werkdadige invloed uitoefenen.
Leer van de daimonen
[bewerken | brontekst bewerken]Volgens de wijsgeer Plato brengen zij de bevelen en gaven van de goden naar de aarde over en dragen de smekingen en gebeden van de mensen opwaarts tot hen. Het zijn bemiddelaars. Uit de scholen van de wijsheren ging de leer van die daimonen over in het volksgeloof. Men pleegde ze te onderscheiden in goede, agathodaimonen, en in kwade, alastores, naarmate zij de mensen geluk of ongeluk aanbrachten. Vooral door de wijsgeer Socrates won het geloof veld, dat ieder mens zijn persoonlijke daimon bezat, die hem van zijn geboorte af aan beschermde en zijn zedelijk leven bestuurde.[7] Men behoefde slechts één stap verder te gaan, om aan iedere mens twee daimonen, één goede en één boze toe te kennen, die over de richting van zijn daden strijd voerden.
Romeinse daimonen
[bewerken | brontekst bewerken]Bij de Romeinen vinden wij dergelijke wezens in de di Indigetes en de Genii
Jodendom en christendom
[bewerken | brontekst bewerken]In het jodendom van na de Babylonische ballingschap werden geesten gezien als kwaadaardige afstammelingen van gevallen engelen. In de Septuagint werd voor deze geesten de term daímōn gebruikt. Dit gebruik vond ook ingang in het Nieuwe Testament en het vroege christendom. Later werden demonen gezien als de gevallen engelen zelf en werd gedacht dat zij aanbeden werden als heidense goden. Ze worden in het christendom gezien als kwade geesten, demonen, duivels.
- ↑ Vgl. Álvaro Fernández Fernández, “Bibliographia Daemonologica Antiquitatis Graecae et Romanae”, in: MHNH 6(2006), pp. 243-298 (https://www.academia.edu/23121714)
- ↑ In Plato's Symposium, leert de priesteres Diotima aan Socrates dat liefde "geen god" is, maar eerder een "grote daimon" (202d)
- ↑ Walter Burkert, Greek religion 1985; E. Rexine, Daimon in classical Greek literature 1985, pp 179-81
- ↑ " daimōn", in Liddell, Henry and Robert Scott. 1996. A Greek-English Lexicon.
- ↑ Vgl. Plato, Apologia 31c–d, 40a-c, 41d; Eutyphro 3b; Euthydemos 272e–273a.; Politeia 496c.; Phaidros 242b–243b; Theaitetos 151a. Vgl. Louis-André Dorion, “Socrate, le daimonion et la divination”, in: Jérôme Laurent, red., Les dieux de Platon (Presses universitaires de Caen, 20122), pp. 169-192 (https://books.openedition.org/puc/27617); Jacob Dvorak, “The Philosopher Within: the daimōn in Plato”, in: Philomathes (2019) (https://www.academia.edu/96717210/) Vgl. Plutarchus, De Genio Socratis, Greek ed.: https://www.perseus.tufts.edu/hopper/text?doc=Perseus:text:2008.01.0305 (Engels: Heinz-Günther Nesselrath, red., Plutarch, On the daimonion of Socrates. Human liberation, divine guidance and philosophy, Introduction, Text, Translation and Interpretative Essays by Donald Russell, George Cawkwell, Werner Deuse, e.a. (Tübingen: Mohr Siebeck, 2010) (https://www.mohrsiebeck.com/en/book/on-the-daimonion-of-socrates-9783161564444/)). Vgl. Xenophon, Memories IV,8,1.5. Het valt op dat Xenophon hem wel, en Plato niet probeert vrij te spreken van “vreemde goden”, de reden waarom hij veroordeeld is. Vgl. Louis-André Dorion, “The Daimonion and the Megalêgoria of Socrates in Xenophon’s Apology”, in: P. Destrée & Nicolas D. Smith, red., Socrates’ divine sign : religion, practice, and value in Socratic philosophy (= Apeiron 38(2005)2), pp. 127-142 (https://doi.org/10.1515/APEIRON.2005.38.2.127; https://www.academia.edu/3753389). Vgl. Plotinus, Enneaden III,4 en III,5. Vgl. John M. Rist, “Plotinus and the "Daimonion" of Socrates”, in: Phoenix' 17(1963)1, pp. 13-24 (https://doi.org/10.2307/1085843); Vgl. voor het Neoplatonisme: John Dillon, The Middle Platonists: 80 B.C. to A.D. 220 (Cornell University Press, 1996); Gregory Shaw, Theurgy and the Soul: The Neoplatonism of Iamblichus (Brooklyn: Angelico Press, 2014). Vgl. verder Henry Edward Manning (Archbishop Of Westminster), “The daemon of Socrates: a paper read before the Royal Institution, Jan. 26, 1872” (https://archive.org/stream/a591631100mannuoft/a591631100mannuoft_djvu.txt) (getranscribeerd) en https://www.scribd.com/document/37138773/ (gedrukt); F.J. Olivieri, “Lo demonico en Socrates”, in: Anales de Historia Antigua y Medieval 21(1980-81), pp. 242-257; Inmaculada Rodríguez Moreno, “La Cosmovisión demonológica de Sócrates”, in: Anales de la Universidad de Cádiz (1992-1993)9-10, pp. 101-114 (https://rodin.uca.es/handle/10498/11451); Mark A. Joyal, “The Divine Sign Did Not Oppose Me”, in: Idem, red., A Problem In Plato’s Apology? Studies in Plato and the Platonic Tradition (Aldershot, 1997), pp. 43–58, met review door Review door John Partridge in: Bryn Mawr Classical Review (2005) 07 (July), art. 57) (https://bmcr.brynmawr.edu/2006/2006.07.57/); Antonius Wilhelmus Willibrordus Rieter, Socrates is een mens. Tragiek van een levenseinde (Best: Damon, 1998), pp. 273-292; M. Pierre Destrée, Nicholas D. Smith, red., Socrates’ Divine Sign: Religion, Practice and Value in Socratic Philosophy (Kelowna, BC: Academic Printing and Publishing, 2005) (= Apeiron 38(2005)2 (inhoudsopg.: https://www.jstor.org/stable/i40040854), review door Aikaterini Lefka, in: Kernos 20(2007), pp. 428-432 (https://journals.openedition.org/kernos/362)), met o.a. Luc Brisson, “Socrates and the Divine Signal according to Plato's Testimony: Philosophical Practice as Rooted in Religious Tradition”, pp. 1-12; Mark L. McPherran, “Introducing a New God: Socrates and His Daimonion”, pp. 13-30; Gerd Van Riel, “Internalization of the Divine and Knowledge of the Self”, pp. 31–42; Mark Joyal, ““To Daimonion” and the Socratic Problem”, pp. 97-112 en Michel Narcy, “Socrates Sentenced by His Daimōn”, 113–25; Geert Roskam, “Socrates’ δαιμόνιον in Maximus of Tyre, Apuleius, and Plutarch”, in: Delfim F. Leão, Françoise Frazier, red., Tychè et Pronoia: la marche du monde selon Plutarque (Coimbra: Centro de Estudos Clássicos e Humanísticos da Universidade de Coimbra, 2010), pp. 93–108; A. Lännström, “Trusting the Divine Voice: Socrates and His Daimonion”, in: Apeiron 45(2012)1, pp. 32–49; Louis-André Dorion, “Socrate, le daimonion et la divination”, in: Jérôme Laurent, red., Les dieux de Platon (Presses universitaires de Caen, 2012²), pp. 169-192 (https://books.openedition.org/puc/27617); Bridger Ehli, “Rationalizing Socrates’ daimonion”, in: British Journal for the History of Philosophy 26(2018)2, pp. 225-240;
- ↑ Encyclopæedia Britannica 15th Edition: Daemon
- ↑ Geert Roskam (2011): Socrates' goddelijke stem: enige commentaren uit de Oudheid, in Hermeneus 83-3, blz. 134-139